Kasteeldomein van Poeke

Tekst van Kasteeldomein van Poeke (https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/34998)

Groot waterkasteel in mooi, aangelegd park van circa 55 hectare. De heerlijkheid van Poeke bestond reeds in het tweede kwart van de 12de eeuw, maar de eertijds versterkte burcht moet gebouwd zijn in de loop van de 14de en 15de eeuw en maakte waarschijnlijk deel uit van een bolwerk van de Gentenaars tegen diverse invallers. De oudst gekende heer is Steppo van Poeke (1139). De burcht werd grotendeels vernield in 1453 bij de opstand van de Gentenaars tegen Filips de Goede en bleef in puin tot begin 17de eeuw, het goed werd in 1597 aangekocht door de familie de Preudhomme d'Hailly die in het bezit bleef van het kasteel tot 1872. De toenmalige gebouwen en omgeving worden afgebeeld in Sanderus' Verheerlykt Vlaandre (1735).

Reeds in 1671 werd het kasteel verbouwd (naar verluidt jaartal in stucgewelf in zuidwesttoren). In plaats van een zeshoekige vorm kreeg het een rechthoekige vorm met twee zijvleugels. Vermoedelijk dateren de funderingen en de vier hoektorens van het huidige kasteel uit die periode, eventueel met behoud van enkele oudere torens.

Belangrijke verbouwingswerken grepen plaats in de periode 1743-52 in opdracht van Charles Florent Idesbald de Preudhomme d'Hailly, burggraaf van Nieuwpoort, Oombergen, Sint-Lievens-Esse en Schoonbergen, baron van Poeke en heer van Neuville, Kanegem en Velaine. Deze werken werden volgens teruggevonden rekeningen, uitgevoerd door Gentse ambachtslui en kunstenaars. Vermoedelijk vervulde meester-metser J.B. Simoens een belangrijke rol als architect. In de periode 1745-47 grepen inwendige verbouwingen plaats en vernieuwingen aan het mobilair. De uitwendige verbouwingen startten eind 1747-begin 1748 aan de achtergevel en eindigden met de vernieuwde voorgevel in 1750-51. De rechter vleugel zou dateren van 1761. De 18de-eeuwse toestand is ons vrij goed bekend uit oude foto's voor de laatste verbouwingscampagne.

Het kasteel onderging opnieuw ingrijpende veranderingen na de verkoop in 1872 aan Victor Pycke de Peteghem, de nieuwe baron van Poeke. Hij herplaatste het nieuwe smeed- en gietijzeren toegangshek met afsluiting en bouwde de dienstgebouwen. Aan het kasteel zijn slechts het grondplan, de torens en enkele details nog authentiek.

Bij het overlijden van de laatste barones Ines Pycke de Peteghem in 1955 werd het goed overgemaakt aan de zusters apostolinnen van Wetteren die er de (Brusselse) schoolkolonie "Duinen en Heide" inrichtten; in 1977 tenslotte werd het aangekocht door de gemeente Aalter; het park is voor het publiek toegankelijk, de bestemming van het kasteel is nog niet duidelijk.

Het park, met een grote verscheidenheid aan boom- en plantensoorten, werd in het beboste deel doorsneden door brede, rechte eiken- en beukendreven centraal samenkomend in de zogenaamde achtsterre. Het middelpunt van de ster lag op de as van de achtergevel van het kasteel tot achterin het park; de dreef 200 meter ten oosten van de centrale as wijst in de richting van de Aalterse kerktoren; andere dreven boden perspectief op de kerk en van Poeke en Lotenhulle en op de molens van Lotenhulle en Ruislede. De dreven werden door V. Pycke na 1872 ingekort. De tot akkerland omgevormde delen werden door hem opnieuw bebost. Vermoedelijk dateert de westelijke toegangsdreef met linden eveneens uit die periode. De geometrisch aangelegde tuin voor het kasteel was eertijds verrijkt met allegorische beelden (zie Lenôtrestijl).

Binnen het park bevonden zich vier bruggen, onder meer over de Poekebeek die doorheen het domein loopt. Het voetgangersbrugje, aan de grens van het park en tevens van de gemeente (Boterstraat), werd door Victor Pycke de Peteghem vervangen door een brugje met ijzeren leuning.

In de zuidwesthoek van het domein, naast de dienstgebouwen is een ommuurde moestuin voorzien.

Het domein is aan de voorkant afgesloten met een fraaie smeedijzeren en gietijzeren afsluiting en hek in neorococostijl van 1872. In het centrale motief van het hek zijn een baronnenkroon en de initialen PP van de opdrachtgever verweven. Voorts zijn er nog talrijke andere hekken, onder meer aan de dienstgebouwen eveneens in de Kasteelstraat, aan de westzijde, uitgevend op de Poekedorpstraat met de kerk en aan de vroegere kasteelhoeve (heden verbouwd); alle met bakstenen pijlers (circa 1872-75).

Een mooie brug gedragen door drie bogen leidt over de binnenste walgracht naar de hoofdingang van het kasteel en is afgeboord met een stenen leuning van balusters tussen pijlers. Een merkwaardige constructie is de brug op het niveau van het water, tussen de brugpijlers, leidend naar de dienstingang in de kelderverdieping en bereikbaar via elegante wenteltrappen met gelijkaardige leuningen aan weerszij van de brug; aangebracht in 1872-75. Aan de noordgevel rust de walbrug op vier bogen met 19de-eeuwse stenen balustrade geflankeerd door thans onthoofde stenen sfinxen. Deze trap leidt naar een terras met dito leuning.

Volledig onderkelderd bakstenen waterkasteel met roodbepleisterde voorgevel met imitatievoegen van elf traveeën en twee bouwlagen (in de 18de eeuw tot 1872 drie bouwlagen) boven de kelderverdieping, afgedekt met geknikt schilddak (leien en zink) met hoge, versierde schouwen, dakkapellen en oeils-de-boeuf; in kern daterend van 1750, aangepast in 1872.

De naar het zuiden georiënteerde voorgevel is afgebakend door hoekbanden en een hoofdgestel. Een markerend middenrisaliet in Lodewijk XV-stijl met de deur is drie traveeën breed en drie bouwlagen hoog en wordt bekroond door een gebroken driehoekig fronton met het wapenschild en de kenspreuk "Pelias Hasta" van Pycke, rustend op rocailleconsoles (18de eeuw) en met grote stenen vazen op de hoeken. Voor de laatste verbouwingswerken was het fronton een eenvoudig driehoekig fronton met uurwerk. Twee originele cartouches vermelden het oorspronkelijke bouwjaar "Anno 1750". Het deurrisaliet heeft een centraal spiegelboogvormig deurvenster in omlijsting en met balusterbalkon op consoles, geflankeerd door vissen (18de eeuw ?); de sluitsteen bevat de initialen PP. De rocaille op de borstwering boven het deurvenster bevat de initialen VP. De rondboogdeur in geprofileerde omlijsting werd gebouwd naar 18de-eeuws model. Voorts werden de vroegere eenvoudige vensters in 1872-75 gevat in geriemde omlijstingen met initialen of rocailles in de sluitsteen. De houten kruiskozijnen zijn voorzien van kleine roedeverdeling. De zijtraveeën zijn eveneens gevat tussen superposerende pilasters.

De vier ronde torens met onderbouw van Doornikse kalksteen en met drie bouwlagen boven de kelderverdieping onder zeshoekig leien dak met zinken peerspits en ijzeren windvaan, bleven met uitzondering van de aangepaste vensters en de bekroningen met initialen PP, grotendeels in hun originele staat bewaard. In de oksel van de zuidwesttoren en de zijgevel is ook een traptorentje aangebouwd. De U-vormig uitgebouwde achtergevel (ten noorden) ziet uit op een terras met stenen 19de-eeuwse balustrade en was via de stenen brug verbonden met een oprit voor rijtuigen. Het 18de-eeuws uitzicht van de zijrisalieten van elk twee, één en één travee en drie bouwlagen werd nagenoeg behouden. De afgeronde hoektravee gevat tussen pilasters met uitgediepte schachten vertonen op de tweede bouwlaag een deurvenster met smeedijzeren rococobalkon en is bekroond met een fronton met oculus. Voorts doorlopende ordonnantie. De in de 18de eeuw gebouwde middenpartij van twee bouwlagen en typisch achteruitspringend risaliet in Gentse rococostijl werd vervangen door een vooruitspringend gedeelte met rondboogvensters en de vermelding "ANNO PX 1875", waarin een ruime hal en een kapel op de bovenverdieping voorzien was. Het drie traveeën breed middenrisaliet loopt uit in een halsgevel met voluten en een bekronend stenen kruis. Enkele oorspronkelijke vensters van de 18de-eeuwse achtergevel zijn nog te zien binnen in het kasteel.

De oost- en westzijgevels, respectievelijk in kern opklimmend tot 1761 en 1671 en gevat tussen de torentjes, werden op dezelfde wijze aangepast: nl. het wegnemen van één bouwlaag, het plaatsen van dakkapellen en het aanbrengen van vensteromlijstingen. De kelderverdieping werd voorzien van een terras met respectievelijk een ijzeren en stenen bekronend balkonhek rustend op kolommen. De westelijke zijgevel is tussen de hoektorens uitgewerkt als halsgevel.

Interieur. Volledig veranderd in eclectische stijl in 1872-75; mogelijk met behoud van enkele marmeren schouwmantels in Lodewijk XV-stijl. Oude overwelfde kelders, in zuidwesttoren naar verluidt gedateerd stucgewelf van 1671. Hal met marmeren trap en omlopende galerij met beelden op de hoekpenanten ten zuiden, bakstenen dienstgebouwen (4) op U-vormige plattegrond naast een zijingang aan de Kasteelstraat: een ijzeren hek tussen polygonale bak- en zandstenen pijlers met arduinen bekroning.

Dienstgebouw, onder meer koetshuis en woningen, opgetrokken in neorenaissancestijl in het derde kwart van de 19de eeuw. Alle gevels van anderhalve bouwlaag worden afgelijnd door geblokte lisenen. Het centrale gedeelte bevat een arcade van zeven traveeën met gedrukte bogen rustend op rechthoekige natuurstenen pijlers en erboven rechthoekige mezzaninovensters in arduinen omlijsting. Middentravee tussen geblokte lisenen met hoger opgetrokken rondboog en geaccentueerd door bekronend fronton met uurwerk, gevat in gedecoreerd lijstwerk, vleugelstukken en siervaas. Gevel aan de straatzijde geaccentueerd door afgelijnde midden- en hoektravee, eerst genoemde met bekronend driehoekig fronton, met muuropeningen in rondboognis. Voorts getoogde stalvenstertjes. De zijvleugels met rechthoekige vensters en deuren worden aan de achterzijde voorzien van vierkante torentjes met leien spits. De zijgevels met rondboognis en aflijnende lisenen is bekroond met fronton waarop wapenschild.

Hondenhokken (tweede helft van de 19de eeuw) op cirkelvormig grondplan met aan de buitenzijde bakstenen arcade (rood en gele baksteen) met rondbogen onder leien afdak met op regelmatige plaatsen overkragend zadeldakje. Centraal hoger opgetrokken gedeelte met ronde bovenlichten afgedekt met een tentdak en waarin een bakoven ondergebracht is. De ijzeren hekken rondom de begroeide hokken zijn thans verdwenen.

Ten zuiden van de hondenhokken bevindt zich de voormalige oranjerie (eerste helft van de 19de eeuw) en serre (vierde kwart van de 19de eeuw) in puin en ernaast een volledig met klimop begroeid paviljoentje uit begin 20ste eeuw.

  • ARREN P., Van kasteel naar kasteel 1, Kapellen, 1985, p. 223-228.
  • DEFRUYT R., Poeke, zijn kasteel en zijn bewoners, in Land van de Woestijne, III, 1, 1980, p. 25-41.
  • DE POTTER F. - BROECKAERT J., Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen, reeks I, deel 6, Gent, 1864-70, p. 15-16.
  • HOSTE I. - STOCKMAN L., Geschiedenis van Poeke, Aalter, 1985, p. 10-31, 255-268.

Bron: LANCLUS K. 1989: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Oost-Vlaanderen, Arrondissement Gent, Kanton Nevele, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 12n1, Brussel - Turnhout.
Auteurs:  Lanclus, Kathleen
Datum:
De tekst wordt ter beschikking gesteld door: Agentschap Onroerend Erfgoed (AOE)


Je kan deze tekst citeren als: Inventaris Onroerend Erfgoed 2024: Kasteeldomein van Poeke [online], https://id.erfgoed.net/teksten/34998 (geraadpleegd op ).